Sluiten

Redacteur

aan het

woord

Gerhard Hartdorff, redacteur Pabo Platform, werkte als leerkracht basisonderwijs en leraar Nederlands in het voorgezet onderwijs om vervolgens zijn loopbaan voort te zetten als uitgever en uitgeefdirecteur bij verschillende, grotere educatieve uitgeverijen. Na nog een aantal jaren als (interim-) directeur in het basisonderwijs gewerkt te hebben, is hij momenteel opleider en vakdidacticus Nederlands bij de iPabo in Amsterdam.

Minstens zo belangrijk als de kennisvakken op de basisschool zijn de zogenaamde kunstzinnige vakken. In dit nummer van ‘Platform’ dan ook uitgebreid aandacht aan wat we kunstzinnige oriëntatie noemen. Of, zoals het in de kerndoelen staat:
Kunstzinnige oriëntatie is er op gericht bij te dragen aan de waardering van leerlingen voor culturele en kunstzinnige uitingen in hun leefomgeving. Ze leren daarnaast zichzelf te uiten met aan het kunstzinnige domein ontleende middelen (…).

Studenten waarderen deze vakken in hoge mate, misschien vooral ook om even op adem te kunnen komen van de inspanningen die ze moeten leveren bij de zogenaamde kennisvakken. En wat voor pabo studenten geldt, geldt net zo voor basisschoolkinderen.

Roeland Vrolijk schrijft in zijn artikel over de herziening van zijn muziekmethode ‘Nieuw Geluid’ en over de inspanningen van koningin Maxima om studenten en kinderen meer te laten zingen. Jos van Onna vertelt enthousiast en gedreven over beeldend onderwijs en hoe dit is vormgegeven in de methode ‘Laat maar zien’ waarvan binnenkort alweer de 5e druk verschijnt.
Drama docent Holger de Nooij gaat uitgebreid in op de vraag ‘Waarom drama?’ Drama is, volgens filosofe Nussbaum, essentieel voor de vorming van elke volwassene tot mondig staatsburger. Tot slot kijkt Volkskrantcolumniste Aleid Truijens op haar eigen wijze naar deze ‘Bildungsvakken’ en laat de lezer zo weer even lekker relativeren.

Ik wens u weer veel leesplezier en als u wilt reageren kan dat via onze LinkedInpagina.

Laat maar zien: what’s new?

Door: Jos van Onna

Een korte terugblik
De vijfde herziene druk van Laat maar zien komt eraan! De eerste druk verscheen in 2000. Wie kent nog die zwart-wit versie, de voorzichtige proef van de uitgever om te zien hoe het onderwijsveld zou reageren. Op zich was dat niet zo gek, omdat de auteurs al jaren bezig waren ‘het veld’ te bewegen tot een cultuuromslag: van de ‘losse’ vakken tekenen, handvaardigheid en textiel naar een integrale didactiek. Van 1995 tot 1997 hebben we gewerkt aan een schets van een integrale didactiek voor beeldend onderwijs, die met Thuis in een wereld van beelden (SLO) werd gepubliceerd. De aanvankelijke weerstand van de vakdocenten op de pabo’s verdween met de introductie van het ‘cirkelmodel voor vormgeven’ als gemeenschappelijk vertrekpunt voor een procesgerichte didactiek.

Beeldend vormgeven werd gedefinieerd als: ‘betekenis geven aan materie door de vorm, in een reflectief proces waarin kijken, onderzoeken en doen elkaar afwisselen. Natuurlijk verheugt het ons, na twintig jaar, dat deze aanpak de kern vormt voor de Kennisbasis en het Leerplankader Kunstinnige Oriëntatie (SLO). Het vakgebied wordt dan ook ‘beeldend onderwijs’ genoemd. Laat maar Zien heeft zijn vruchten afgeworpen. Lees verder

Door de wol geverfd
Herzien begint altijd weer met een pas op de plaats. Terugkijkend hebben we modes zien komen en gaan. Ze raakten alle een aspect van het vakgebied of opleidingsonderwijs dat er ‘best wel’ toe deed, maar ook weer overging of werd opgenomen in een volgend concept. Als auteurs beweeg je mee met de tijdgeest. Je bouwt de nieuwe bril in, waardoor de werkelijke inhoud ook vanuit dat gezichtspunt begrepen kan worden.
Studieopdrachten werden studiesuggesties, net als casussen (Probleem Gestuurd Onderwijs) veranderden in vakcompetenties (Competentie Gericht Onderwijs) en de leerkracht onderzoeker werd in plaats van vakman. Vandaag bepalen voornamelijk de 21ste eeuwse vaardigheden de visie. Samenwerken, communiceren, bronnenonderzoek, maar vooral creatief vermogen moeten kinderen van vandaag wegwijs maken in de nabije toekomst, een voortdurend veranderende wereld. Dat is voor ons vakgebied natuurlijk niet tegen dovemans oren gezegd.
Als auteur is het beschrijven van je credo geen truc. Het leert je de inhoud steeds weer opnieuw te bekijken en bevragen. En bij het opnieuw uitleggen ontdek je als auteur ook nieuwe dingen.

Eureka!
Hoe maak je het vakgebied toegankelijk voor de student die nauwelijks ervaring heeft met de praktijk van het vormgeven? Hoe leg je het begeleiden van een creatief proces bij kinderen goed uit? Als specialist denk je iets duidelijk uit te leggen, maar dat valt in de praktijk nogal eens tegen. Dan zul je dat keer op keer opnieuw moeten bekijken. Lees verder

Dat is ook de manier waarop de auteurs samenwerken. Als ik mijn mede-auteur enthousiast mijn nieuwe teksten toestuurde, kreeg ik vaak iets te horen in de trant van: ‘ik begrijp waar je heen wilt, maar…’. Terug achter de schrijftafel lukt het dan niet meteen.

Maar we hebben er een derde partij bij: Boef. Het is de hond die ik dagelijks mag begeleiden bij zijn noodzakelijke uitjes. Wat wil nu het geval? Midden in de nacht zit ik nog te knokken achter mijn laptop. Het wil niet echt lukken, maar het beestje moet er dan toch echt uit. Tijdens de nachtelijke wandeling, terwijl je het boek even helemaal vergeet, schiet je plots het inzicht te binnen dat je enorm vooruit helpt.

Pendelen tussen referentiekaders
Creativiteit is een kernconcept waar het onderwijs zich momenteel sterk op richt: nieuwsgierigheid stimuleren en uitdagen tot onderzoek. Het klinkt prachtig, maar voor beeldend onderwijs is dat natuurlijk niet nieuw. Integendeel: het lijkt angstig veel op het decreet van de Vrije Expressie uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. In handen van de groepsleerkracht is de kans groot dat we de ‘legehandendidactiek’ zien terugkeren. In een sfeer van laisser-faire gaan de kinderen ‘lekker bezig’ met allerlei materialen en probeert de juf het geheel in vooral logistieke banen te leiden. Per saldo komen de (maximaal 10%) getalenteerde kinderen er beter uit en zien zij die dat niet zijn (het merendeel dus) hun onvermogen opnieuw bevestigd. Kinderen die de ander zien oogsten, laten zich door de leerkracht niets wijsmaken over hun eigen onvermogen. Voor die kinderen is een goede vakdidactiek noodzakelijk om het beeldend vermogen tot ontwikkeling te laten komen! Lees verder

Elke vakdidacticus zit met de vraag hoe je de vakmatige kennis, inzicht en vaardigheid van de leerling vergroot en hoe je die het beste overdraagt. Laten we dat het externe referentiekader noemen. Bij creatieve processen speelt de persoonlijkheid van de leerling een prominente rol. Hij moet namelijk aan de slag met nieuwe (vak)informatie: gaan rommelen, uitproberen, produceren, maar ook overwegen, kiezen, afwijzen en uitwerken. Werkhouding, lef, voorkeuren, eigenzinnigheid spelen daarbij een belangrijke rol. Die gedragsaspecten kun je zien als het interne referentiekader. De leraar reikt kinderen daarbij niet alleen het externe referentiekader aan, maar helpt het kind met zijn interventies ‘pendelen’ tussen de twee kaders.

Laat maar Zien van Stichting Beeldend Onderwijs de online methode voor de pabo én het werkveld
Van studenten op de pabo wordt vaak nog verwacht dat ze zelf lessen ontwerpen. In de dagelijkse praktijk op de basisschool gebeurt dat alleen bij hoge uitzondering. Om de didactiek van Laat maar Zien goed voor het voetlicht te brengen, heb je goed voorbereide lessen nodig. De komst van het digitale schoolbord heeft de ‘beeldende’ presentatie van een les geoptimaliseerd en het geven van die lessen een stuk aantrekkelijker gemaakt.

Een logisch gevolg was de opzet van de online methode Laat maar Zien, met enerzijds als doel om docenten en studenten ook landelijk te helpen aan goed materiaal waarmee in de stage kan worden geoefend. Anderzijds het doel om het basisonderwijs te voorzien van complete lessen, gestructureerd volgens de ‘procesgerichte didactiek’. Lees verder

Ondertussen hebben veel basisscholen en bijna alle pabo’s in Nederland de weg naar de methode Laat maar Zien gevonden. Hierdoor kunnen studenten al tijdens hun studie met didactisch goede lessen aan de slag op hun stageschool en de theorie uit het boek in praktijk brengen.

Leren leerlijnen bouwen
Het bouwen van leerlijnen is de laatste jaren een speerpunt in het primair onderwijs geworden. Voor beeldend onderwijs is dat bepaald geen sinecure, zoals blijkt in de praktijk. Om dat bouwproces concreet te maken, hebben we met de Stichting Beeldend Onderwijs de tool ‘Mijn Leerlijn’ ontwikkeld. Daarmee kunnen leerkrachten online hun eigen leerlijn bouwen. Mijn Leerlijn is zichtbaar voor alle collega’s, waardoor er makkelijk aan een doorlopende lijn over acht jaar basisonderwijs gewerkt kan worden. Er kunnen, naast de lessen van Laat maar Zien, ook eigen lessen of buitenschoolse activiteiten worden toegevoegd. Het ideaalbeeld van de leerkracht die naar eigen voorkeur, met collega’s, een leerlijn samenstelt uit een enorme database aan lessen wordt daarmee nog verder gefaciliteerd.

Cultuureducatie met procesgerichte didactiek
De afgelopen jaren heeft de overheid werk gemaakt van het stimuleren van cultuureducatie op de basisschool. Beeldend onderwijs speelt daarin en belangrijke rol. Vooral ook waar het gaat om het leggen van een actieve relatie tussen beelden maken, beelden beschouwen en ons culturele erfgoed. Veel scholen maken gebruik van de regeling ‘Cultuureducatie met Kwaliteit’, een ondersteuning voor scholen die kunnen aantonen de doorgaande lijn voor cultuureducatie in het programma te verankeren. Ze gebruiken hiervoor zowel de onlinemethode Laat maar Zien als Mijn Leerlijn. Lees verder

Terug naar de leest
Het gevaar van een didactiekboek voor beeldend onderwijs is het abstractiegehalte. In de eerdere uitgaven is uitgebreid ingegaan op Vorm (beeldaspecten) als wezenlijk aspect van beeldend onderwijs. In de nieuwe druk wordt nu ook gehoor gegeven aan de vraag aandacht te besteden aan Materie (materialen en werkvormen). De methode geeft een overzicht van de mogelijkheden die er in dit opzicht op de basisschool zijn. Ze zijn ondergebracht in tal van werkvormen van zeer uiteenlopende aard. Mooi is te zien hoe rijk dit vakgebied is en hoe prettig het is dat leerkrachten samen kunnen bepalen wat wezenlijk is om toe te voegen aan de leerlijn.

Studenten krijgen met dit nieuwe hoofdstuk een indruk van het enorme arsenaal aan ervaringsmogelijkheden waarmee je kinderen op die gevoelige leeftijd kunt verrijken. Om een al te verbale opsomming te voorkomen, is het hoofdstuk ook rijk geïllustreerd.

De website van Noordhoff biedt soelaas?!
Met het toevoegen van een nieuw hoofdstuk doet zich natuurlijk het probleem voor van een steeds verder uitdijend boek. Dan moet je als auteurs en uitgever keuzes gaan maken: welke hoofdstukken zijn basale stof en welke bevatten meer specialistische informatie? Wij hebben ervoor gekozen om de hoofdstukken over het zelf ontwerpen van lessen en het doen van onderzoek naar de Prepzonewebsite van Noordhoff te verplaatsen, evenals de eerdere bijlagen. Studenten hebben dan met hun voucher toegang tot deze uitbreiding.

Uit het veld komt ook steeds meer het geluid dat studenten het moeilijk vinden langere tekstfragmenten te lezen. Noordhoff komt daaraan tegemoet door het bieden van video’s in Prepzone: filmpjes die in twee minuten de inhoud van een hoofdstuk op een ‘andere manier’ uitleggen.

Tot slot rijst de vraag hoe lang docenten en studenten nog kiezen voor het fysieke boek. Wat zou een goed samengesteld en onderbouwd alternatief kunnen worden? Over die vragen zullen zowel het veld als de auteurs, samen met de uitgever op korte termijn een stevige noot moeten kraken.

Auteur

aan het

woord

Roeland Vrolijk werkt aan het conservatorium van Rotterdam Codarts. Samen met collega Leo Aussems schreef hij Tijd voor muziek, een nieuw boek dat dit voorjaar verschijnt. Voor de Schooltelevisie schreef Leo vanaf 1983 didactisch materiaal en daarna vooral liedmateriaal voor diverse programma’s (o.a. Muziek met Jango, De Liedjesman, Muziek in de tent, Liedmachien, Songmachine, Koekeloere). Roeland is werkzaam als docent muziek op de pabo van de Thomas More Hogeschool en is als hoofdvakdocent verbonden aan het Rotterdams conservatorium Codarts. Roeland is voorzitter van het Netwerk Muziekdocenten pabo.

Meer muziek op de pabo

Het kan haast niemand zijn ontgaan: er is meer aandacht voor muziek op de basisschool. Maar hoe staat het met het vak op de pabo? Uit onderzoek van OCW blijkt dat 90% van de leerkrachten in het basisonderwijs zich niet bekwaam genoeg voelt om muziek te geven. Het vak muziek heeft meer tijd nodig en ook een eigentijdse methodiek die bijdraagt aan dat doel. Het afgelopen jaar heeft Roeland Vrolijk dan ook de derde druk geschreven van Nieuw Geluid. Ook heeft hij samen met de bekende liedcomponist en docent Leo Aussems een nieuw leermiddel geschreven: Tijd voor muziek. Met dit boek worden studenten in staat gesteld om zich muzikaal te ontwikkelen.

Werkbezoek koningin Máxima
De keuze voor meer zingen voert terug op het werkbezoek van koningin Máxima aan de pabo in Den Bosch in juni 2015: koningin Máxima wil dat juffen en meesters kunnen zingen. Richt op alle pabo’s een studentenkoor op, stelde zij voor tijdens haar allereerste werkbezoek als erevoorzitter van het Platform Ambassadeurs Muziekonderwijs. ‘Als alle kinderen muziek moeten krijgen in de klas, dan moeten alle pabostudenten wél genoeg muziekles krijgen.’ Toen Koningin Máxima haar wens uitsprak om op iedere pabo een koor te beginnen, vielen alle puzzelstukjes voor de auteurs op hun plek. ‘Wij gaan een boek maken!’ Ze hadden al veel voorwerk verricht en ideeën uitgewisseld om een leermiddel voor de pabo te ontwikkelen. Lees verder

Sinds het werkbezoek zijn de pabo’s al aan het veranderen. Op verschillende pabo’s zijn koren gekomen. Muziek is een ‘tijdkunst’. Het speelt zich af in de tijd. Als je iets wilt doen met muziek in het onderwijs, dan kost je dat tijd en moeite. De vraag is nu: krijgen studenten en docenten genoeg tijd om tijdens de studie hieraan te werken? In ieder geval wordt de noodzaak voor méér muziek op de pabo ondersteund met verschillende soorten literatuur hierover.

Onderbouwing met wetenschappelijk onderzoek
Wetenschappelijk onderzoek ondersteunt de gedachte dat kinderen muziek nodig hebben. Het bespelen van een instrument draagt bij aan de motorische ontwikkeling en de ontwikkeling van het kinderbrein. Het samenspelen verbindt, versterkt sociale vaardigheden en ook draagt muziek bij aan betere schoolprestaties. Naast een wetenschappelijke onderbouwing voor het vak, heeft ook de politiek gekozen om muziek meer centraal te stellen.

‘Méér Muziek in de Klas’
Het belang van meer muziek in de klas wordt bevestigd door Minister Bussemaker van OCW. Zij heeft ter stimulering een aantrekkelijke subsidieregeling voor basisscholen beschikbaar gesteld en een Handreiking laten opstellen. In deze Handreiking staan concrete actiepunten om de doelstelling, structureel muziekonderwijs voor alle kinderen, te bereiken. Om tot uitvoering te komen van deze acties is de stichting Méér Muziek in de Klas opgericht. Koningin Máxima is de erevoorzitter van de stichting. Lees verder

Regeling voor muziek op pabo
Op 20 september jl. zijn diverse partijen uitgenodigd op het ministerie. Er is gesproken over een nieuwe subsidieregeling die is bedoeld voor het vak muziek op de pabo. De groep gaf onder meer aan: grondige opleiding op het gebied van muziekonderwijs en muzikale vaardigheden ontwikkelen. Ook benoemde de groep het belang van het ontwikkelen van zangvaardigheden voor alle studenten. ‘Studenten moeten tijdens de opleiding veel meer en vaker zingen!’ Tot slot ging de aandacht uit naar goed bedienen van muzikale talenten op de pabo. De regeling zal waarschijnlijk begin 2017 ter beschikking gesteld worden. De doelstelling moet uiteindelijk zijn dat meer studenten zich handelingsbekwaam voelen om muziekonderwijs te geven aan kinderen. Roeland Vrolijk is voorzitter van het Netwerk Muziekdocenten pabo (NMP) en heeft namens dit netwerk aangegeven dat deze keuzes aansluiten bij de wensen van de leden van het NMP.

Méér muziek in de basisschool
De nadrukkelijke focus op het zingen sluit dus niet alleen aan bij de wens van de koningin, maar vindt ook gehoor bij de muziekdocenten aan de pabo’s. Roeland Vrolijk geeft aan dat het leren zingen een wekelijkse activiteit moet zijn op de pabo. Koorzang moet minimaal twee, liefst drie jaar tijdens elke onderwijsweek ingeroosterd zijn: week in week uit. Dat is voor veel pabo’s met wekelijks een ander rooster ongebruikelijk, maar bij muziek ontkomen we er niet aan. De groepen zijn dan wat groter dan een reguliere klas en dat is financieel aantrekkelijk. Gedacht wordt hierbij aan een groep van zestig studenten die wekelijks onder leiding van een docent zingt. Nogmaals, muziek is een ‘tijdkunst’ en kost dus tijd!

Tijd voor muziek is zo opgezet dat een student niet alleen leert zingen, maar ook met ondersteuning van de website zich muzikaal ontwikkelt. Er is gekozen voor een opzet met een combinatie van eigentijds liedrepertoire, liedjes uit andere culturen en bekend Nederlands liedrepertoire. Leo Aussems heeft in samenwerking met SchoolTV tientallen liederen opgenomen. De uitwerking van het boek zal samen met NTR gerealiseerd worden. De inhoudelijke structuur is gebaseerd op de overtuiging dat pabostudenten leren door vooral uit te gaan van de praktijk. Ook gaan de auteurs uit van de auditieve en intuïtieve vaardigheden die vaak al aanwezig zijn, maar slechts zelden worden ingezet. Het niveau varieert van eenvoudig tot zeer moeilijk. Tijd voor muziek bouwt deze moeilijkheidsgraad op door te werken met bekende methodieken, zoals handzingen en ritmetaal. We combineren dit met eigentijdse muziek. ‘Ons uiteindelijke doel met Tijd voor muziek is dat we met deze publicatie een bijdrage leveren aan de nieuwe beweging om “Meer muziek in de klas” van de basisschool te krijgen.’

Derde druk Nieuw Geluid
Naast de publicatie van Tijd voor muziek heeft Roeland Vrolijk ook de derde druk geschreven van Nieuw Geluid. In opdracht van het Ministerie van OCW ontwikkelde de SLO in 2014 het Leerplankader kunstzinnige oriëntatie. Het is ontwikkeld voor basisscholen, pabo’s en culturele instellingen. Het creatieve proces staat hierbij centraal. Deze ontwikkeling heeft consequenties gehad voor deze derde druk. Lydia de Jong heeft met haar expertise een hoofdstuk geschreven over creativiteit. Lydia is bekend van de uitgave Gevangen in een schelp. Het succes van de eerste en de tweede druk van Nieuw Geluid heeft ertoe geleid dat er verder niet al te veel aan de inhoud en vorm van het boek is veranderd. Lees verder

Column

Aleid Truijens is journalist en schrijver. Zij heeft een wekelijkse column in de Volkskrant, die vaak over onderwijs gaat. Daarnaast schrijft ze over literatuur en non-fictie. Ze schreef de romans Geen nacht zonder en Vriendendienst en publiceerde onlangs een biografie over de schrijver F. B. Hotz: Geluk kun je alleen schilderen – F. B. Hotz, het leven.

De taal van het hart

 

Uit alle macht probeer ik erin te blijven geloven. Omdat ik dat wil. Omdat mijn wereldbeeld wankelt als deze stoelpoot onder mij wordt weggezaagd: dat onderdompeling in kunst en cultuur een mens goed doet. Een groot mens en een klein mens.
Van boeken lezen, films kijken, lachen om een komiek, ontroerd raken door muziek, geraakt worden door een schilderij word je niet vanzelf een beter persoon. Was het maar waar. Maar het zijn wel onvervangbare ervaringen.

Mij helpen ze om het leven, het gedoe, de sores, de stress, de conflicten, te relativeren. Ik realiseer me dat ik veel gemeen heb met mijn medemensen, maar dat we ook heel verschillend tegen de dingen aankijken. Een Syrische asielzoeker heeft andere ervaringen dan een Javaanse veehoeder, een Afrikaanse hiv-patiënt, een ter dood veroordeelde moordenaar of een Nederlandse leraar. Je hebt maar één leven. Kunst maakt het mogelijk je in vele levens te verplaatsen. De taal van het hart verstaat iedereen. Toch? Lees verder

 

De laatste tijd denk ik dat deze gedachte, noem het een rotsvast vertrouwen in Bildung, al te romantisch is. Een halfzacht geloof van een oude hippie, die als puber met bloemen in het haar liedjes over een mooiere wereld op haar gitaar tokkelde. We waren in de jaren zeventig van de vorige eeuw tégen gezag, tegen burgerlijkheid en carrière, tegen de elite. Maar het sprak vanzelf dat ik naar een gymnasium ging en mocht studeren. Voor die witte, bevoorrechte kinderen was het eenvoudig om een rebel te zijn. Je las ‘vieze’ boeken van Jan Wolkers en Gerard Reve, draaide platen van de Rolling Stones en ging naar Nederlands Hoop – dan kreeg je een brevet van ‘goed’ tegendraads gedrag. En je was natuurlijk tégen de oorlogszuchtige Amerikanen, die niets te zoeken hadden in dat verre Vietnam. Je deed en zei gewoon alles wat je ouders verschrikkelijk vonden.

De Nederlandse samenleving is niet meer zo homogeen als toen. Er is niet één heersende tegencultuur. Tegendraadse jongerencultuur, de kunst van de straat, bestaat wel, maar daar kan de leraar zich beter verre van houden, wil hij zich niet totaal belachelijk maken.

Klasgenoten van wie de ouders uit alle windstreken komen, kennen en begrijpen elkaars cultuur, geloof en morele waarden vaak niet. Nieuws en informatie krijgen jongeren niet via de krant, het Journaal en de les maatschappijleer, maar via de sociale media.

 

Zo stijft ieder zich in zijn eigen waarheid en groeit het complotdenken. Groepjes leerlingen willen niets van elkaar weten. Jongeren voelen zich verscheurd tussen loyaliteit aan het land van hun (groot)ouders en het land waar hun toekomst ligt. In het oude land heerst bijvoorbeeld een tiran, terwijl ze op school leren dat democratie het beste politieke systeem is. Thuis en in de moskee horen ze dat homoseksualiteit een ziekte is, maar in Nederland is dat een verboden gedachte. Heel verwarrend.

Tegen die groeiende maatschappelijke kloof helpt het medicijn ‘Bildung’ niet zomaar. Niet als opvoedkundig middel om kinderen in het politiek-correcte gareel te krijgen. Maar toch. Kinderen zitten op school om zelf te leren nadenken over de wereld. En om te beseffen dat andere mensen net zulke diepe overtuigen en emoties hebben als jij. Daarbij moeten we ze blijven helpen.

Begin maar eens met elke ochtend een gedicht voor te lezen. Mooie, krachtige, schokkende en grappige gedichten, uit de wereldliteratuur, van de beste dichters. Doe dat onverstoorbaar. Op de basisschool, op havo-vwo, in het vmbo, het mbo en op de pabo. In het begin zullen ze ongemakkelijk lachen, maar meestal zijn er twee, drie of meer leerlingen bij wie ineens de vonk overspringt. Daar moeten we het dan maar voor doen.

Docent

aan het

woord

Over Holger de Nooij
Holger de Nooij is vanaf 1994 werkzaam als docent drama in het basisonderwijs. Daarnaast werkt hij als hogeschooldocent op de iPabo in Amsterdam/Alkmaar. Als schrijver/regisseur heeft hij al meer dan tachtig producties gemaakt met en voor kinderen en als specialist bijgedragen aan landelijke onderwijsontwikkelingen voor het vak drama. De Nooij verzorgt lezingen, trainingen, nascholingen en cursussen en is gastdocent bij o.a. het Sealland University College in Roskilde (Denemarken). Hij schreef tevens voor Noordhoff Uitgevers Kijk op Spel (4e druk verschijnt voorjaar 2017) en De planken op (2008) en brengt basisschoolmethode Dramaland uit.

Drama en kunstzinnige oriëntatie

‘Dramaonderwijs in de 21ste eeuw’

 

Waarom drama?
Eens in de zoveel tijd stelt een student mij de vraag ‘Waarom krijgen kinderen eigenlijk drama?’. Een supermooie vraag natuurlijk, alleen wel één met een langer antwoord dan die student misschien verwacht. De doelen van drama zitten namelijk in een algemeen segment van de kerndoelen.

(…) reflectie op eigen handelen en leren, uitdrukken van eigen gedachten en gevoelens, respectvol luisteren en kritiseren van anderen, verwerven en verwerken van informatie, ontwikkelen van zelfvertrouwen, respectvol en verantwoordelijk omgaan met elkaar, zorg voor en waardering van de leefomgeving. [bron: herziene kerndoelen, SLO]

En deze kerndoelen sluiten nauw aan bij het karakteristiek en de kerndoelen van kunstzinnige oriëntatie.

Kunstzinnige oriëntatie is er ook op gericht bij te dragen aan de waardering van leerlingen voor culturele en kunstzinnige uitingen in hun leefomgeving. Ze leren daarnaast zichzelf te uiten met aan het kunstzinnige domein ontleende middelen (…). Lees verder

Dramaonderwijs verrijkt, mits goed aangeboden, de leefwereld van onze kinderen: ze begrijpen uitbeeldingen, leren ‘smaak’ ontwikkelen, omdat ze bij het beschouwen de dingen leren onderbouwen, ze leren kritisch te zijn op hun eigen spel en dat van anderen. Of het nou op tv, op internet of in het theater is: tel de hoeveelheid ‘doen-alsof-spel’ dat het kind per dag over zich heen krijgt bij elkaar op. Hoe kun je daar waarde aan toekennen, begrijpen wat erachter steekt, erover oordelen? De kwaliteiten die wij kinderen zo toewensen en die binnen handbereik liggen, dat wat binnen de kunstzinnige oriëntatie effectief en concreet aan bod kan komen, die zijn helaas niet gratis. Ze kosten tijd en moeite, je moet er wel wat voor doen.

Waarom vinden kinderen het leuk?
Een collega vroeg zich af welk mysterie zich voltrekt achter de deuren van het dramalokaal. Studenten gaan er moe naar binnen en komen opgewekt naar buiten. En landelijk waarderen studenten het vak drama hoog in studentenevaluaties.

Drama is sociaal: studenten komen van hun stoel en werken samen, en ze mogen actief met elkaar van gedachten wisselen.

Drama is creatief: de opdrachten geven ruimte tot een eigen aanpak, het brengen van een eigen boodschap op een eigen wijze. De student heeft doorgaans het gevoel creatief bezig te zijn en heeft een succeservaring omdat de opdrachten aansluiten bij wat zij kunnen. Lees verder

Drama is veilig: opleidingsdocenten die drama geven, hebben een en ander met elkaar gemeen. Ik beperk me tot het talent een veilige werkomgeving neer kunnen zetten en die te bewaken. Dat alle dramadocenten uit ‘hetzelfde hout zijn gesneden’ of per ruimteschip van ‘dezelfde planeet afkomstig zijn’ (de zogenaamde ‘dramanoïde-theorie’) is wetenschappelijk niet aangetoond, dus dat laat ik onbelicht.

Drama is kunstzinnig: onder leiding van de docent leren studenten beschouwen op eigen en andermans werk en betekenis toekennen aan speluitingen. Ze leren smaak ontwikkelen, oordelen, plezier ontlenen aan technieken enzovoorts.

Drama is pedagogisch: er wordt steeds gependeld tussen de technieken en de het praktisch didactisch-pedagogisch handelen. Dramalessen op de pabo gaan over kinderen in onderwijssituaties en verrijken visie en handelingsrepertoire.

Ik denk dat studenten drama daarom zo leuk vinden: het is sociaal, creatief, veilig, kunstzinnig en pedagogisch.

Het gaat goed!
Sinds deze eeuw gaat het beter dan ooit met het vak. Toonaangevend filosofe Nussbaum ziet de ‘liberal arts’ niet als overbodige luxe, maar essentieel voor de vorming van elke volwassene tot mondige staatsburger (Niet voor de winst, 2011, Amsterdam: Ambo|Anthos). Vanuit de hoek van de 21ste eeuwse vaardigheden worden kunstenvakken als verantwoordelijk gehouden om creativiteit te ontwikkelen bij opgroeiende kinderen.

Denk hierbij niet alleen aan creativiteit als probleemoplosser, maar ook om te overleven in een veranderende wereld. Creativiteit stimuleert echter ook het kind als toekomstige innovator. Drama is, mits op die wijze ingezet, een prima instrument om creativiteit te stimuleren.

Drama wordt mede door actuele uitgaven van o.a. Noordhoff Uitgevers in een breed pedagogisch kader herkend en erkend. En het is nog maar ruim twaalf jaar geleden dat de eerste druk van Kijk op Spel verscheen, een succesnummer dat destijds direct moest worden bijgedrukt. Nu is dit boek een zogenaamde ‘must read’ voor iedereen die dramaonderwijs verzorgt.

Dat het goed gaat met drama heeft ook te maken met andere hbo-uitgaven over dit vak, ze werpen een breder licht op de mogelijkheden van drama. Drama als taalondersteuner, drama als middel om onderzoekend te leren, drama om literatuur beter te begrijpen, dit soort uitgaven geven inzicht waar je het vak nog meer voor kunt inzetten en dat zorgt voor zinnige discussies en daarmee voor beter onderwijs. Het werpt je ook steeds terug op de grote identiteitsvraag wat drama nu precies is. Hierdoor nemen mensen een duidelijker standpunt in dan vroeger en die duidelijkheid hebben we hard nodig. Maar hoe duidelijk je ook bent, als studenten met onduidelijke dramalessen hun stage in gaan, is de kans groot dat ze geen succeservaring hebben en afhaken. Terwijl de pabostudent de toekomst van drama en de hele kunstzinnige oriëntatie in handen heeft. Dat er vanuit didactiekboeken basisschoolmethodes ontstaan, is in dat licht alleen maar logisch. Lees verder

Voor beeldend onderwijs heeft Jos van Onna (Laat maar zien, 2008, Groningen: Noordhoff Uitgevers) met een collectief aan topdocenten Laat maar zien/Laat maar leren ontwikkeld. En ondergetekende heeft vanuit Kijk op Spel, Dramaland op de wereld gezet. Beide methodes zijn in het basisonderwijs een begrip, en (misschien nog belangrijker) worden door de meeste pabo’s aan hun studenten aangeboden. Het didactisch begrip hand in hand met het lesmateriaal dat je aan je stagekinderen aanbiedt. Deze ontwikkeling maakt de vakken sterker omdat de student wat hij vanuit zijn opleiding begrijpt direct handen en voeten kan geven in zijn stage en zijn latere beroepspraktijk.

Ik heb er niks mee
Er zijn mensen die van nature niks hebben met kunstzinnige oriëntatie: ze dansen liever niet, durven niet te tekenen, willen niet beeldend werken, hebben een zangdrempel en nooit de behoefte gehad om naar het theater te gaan, laat staan zelf iets uit te beelden. En toch willen ze leerkracht worden.
Het minste wat je kunt doen is voor iedereen, dus ook voor deze doelgroep, zo duidelijk mogelijk zijn. Kunstvakken hebben al de neiging tot zwabberen en bezigen een taal die zij onderling goed snappen, maar waar buitenstaanders niets van snappen. Je kunt in ieder geval proberen om niet je eigen kunstige, talige of academische stokpaardjes te berijden, maar duidelijkheid te verschaffen over de basisdidactiek in een context die de pabostudent als de zijne herkent: het actuele basisonderwijs. Lees verder

Digitaal construeren van lessen
Het kunstzinnig onderwijs wordt sterker wanneer het nauw aansluit bij de leerbehoefte van de kinderen. Digitale kunstzinnige methodes geven steeds vaker de mogelijkheid om eigen lesinhouden in te voeren en zo een didactisch kloppende les te genereren. Dit biedt steun aan de leerkracht (in opleiding) omdat de vakdidactische aandachtspunten direct in de lesopzet staan, de les kloppend is qua opbouw en de kinderen de juiste aanwijzingen op opdrachtkaarten en werkbladen krijgen. In Dramaland zijn op deze manier zelf lessen te genereren over cultureel erfgoed, drama als didactische ondersteuning bij bijvoorbeeld geschiedenis, aardrijkskunde en Engels of ‘gewone’ basislessen drama. Het gaat goed met de kunstzinnige vakken omdat we innoveren en nieuwe manieren blijven zoeken om de leerkracht (in opleiding) te ondersteunen en jou, de opleidingsdocent, van goed materiaal te voorzien.

Vierde druk ‘Kijk op Spel’ verschijnt dit voorjaar
Na 22 jaar vakdocent drama in het basisonderwijs te zijn geweest, ben ik het nog lang niet zat. Omdat het onderwijs verandert, leer ik steeds meer bij: drama moet mee veranderen en dat is alleen maar prettig. De kinderen veranderen een beetje, in de kern zijn ze hetzelfde als twintig jaar geleden, maar ze staan meer in de maatschappij en hebben iets meer zelfbewustzijn dan vroeger. Dit heeft bijvoorbeeld effect op hoe je werk met hen beschouwt. Kinderen zijn op zowel technisch als inhoudelijk niveau meer dan ooit in staat kritisch te denken over eigen en andermans werk op een respectvolle manier. Het onderwijs verandert: passend onderwijs als fenomeen heeft effect op de dramales. 

Dat vraagt om nieuwe gedachten, een andere aanvliegroute. De kennisbasis wordt door veel hogescholen als verplichting beschouwd, dat vraagt om aanpassingen. Dit soort zaken maken een herdruk wenselijk en op sommige punten noodzakelijk. Dat alles maakt de vierde druk van Kijk op Spel (verschijnt in het voorjaar van 2017) tot de meest vernieuwende, spannendste ‘kennisbasisuitgave’.

Redactieteam

Gerhard Hartdorff (eindredacteur)
Margriet Bakker (Noordhoff Uitgevers)
Renée Heuvelman (Noordhoff Uitgevers)
Esther van Rhijn (Noordhoff Uitgevers)

Pabo Platform is een digitaal magazine van Noordhoff Uitgevers voor en door docenten en opleidingsmanagers. Het blad wordt gratis verspreid.

Contactgegevens

Noordhoff Uitgevers
Postbus 58
9700 MB Groningen

Voor meer informatie of vragen:
ga naar Mijn Noordhoff

Website

Kijk op meer informatie over onze studieboeken, evenementen, accountmanagers en auteurs op onze website.

Social media