Laat ons weten wat u van het magazine vindt!
 Sluiten

Redacteur

aan het

woord

Gerhard Hartdorff, redacteur Pabo Platform, werkte als leerkracht basisonderwijs en leraar Nederlands in het voorgezet onderwijs om vervolgens zijn loopbaan voort te zetten als uitgever en uitgeefdirecteur bij verschillende, grotere educatieve uitgeverijen. Na nog een aantal jaren als (interim-) directeur in het basisonderwijs gewerkt te hebben, is hij momenteel opleider en vakdidacticus Nederlands bij de iPabo in Amsterdam.

Het vorige nummer van Platform ging over de vraag naar de ideale docent en dan vooral vanuit de opleiding gezien. Dit nummer gaat opnieuw over de vraag naar de ideale leerkracht, maar nu vanuit het perspectief van het basisonderwijs.

We laten verschillende specialisten aan het woord, waaronder onderwijscolumniste Aleid Truijens van De Volkskrant. Daarnaast geeft Joop Sas zijn visie als psycholoog vanuit zijn werk als onderwijsbegeleider en Brigitte Bongaards als basisschoollerares. Martijn Weesing, docent ‘Natuur en Techniek’ op de pabo en leerkracht onderbouw vertelt hoe hij de ideale leerkracht ziet. En tot slot Floortje Kroeze en Wies Compiet, pabo studentes.

De redactie van Platform sprak daarnaast met Trix Derriks, directeur van basisschool Piet Hein, Niek Kropholler, leerkracht onderbouw, Marlou Kasteleijn, leerkracht van groep 4, kinderen van groep 3 t/m 8 en Frank Merten voorzitter Stichting KBA over wat voor eigenschappen die ideale juf of meester allemaal zou moeten hebben. Hun uitspraken vindt u verspreid door dit nummer terug. En als je dat dan zo maar even bij elkaar optelt, dan moet die ideale juf of meester wel een duizendpoot zijn om het in het onderwijs te kunnen redden. Want behalve dat er heel veel van je persoonlijke eigenschappen gevraagd wordt, is er ook nog eens die administratieve kant die steeds nadrukkelijker aanwezig is. Ga er maar aan staan!

Reacties zijn welkom via de LinkedIn pagina!

Op zoek naar de ideale juf of meester

Door: Aleid Truijens

De ideale leerkracht, bestaat die?
Volgens de leerlingen natuurlijk wel. Schrik niet: volgens ondervraagde pubers bij het voortgezet onderwijs is de ideale docent(e) ‘knap, jong en sexy’, liefst ‘een beetje hip gekleed’ en hij of zij ‘stinkt niet’. De ideale docent is bovendien niet dik, maar ook geen magere spijker. Want, licht een meisje trouwhartig toe, ‘daarmee kunnen leerlingen de leraar pesten’. Volgens deze keiharde eisen van leerlingen kunnen, vrees ik, veel kandidaten voor het leraarschap het wel schudden.

Gelukkig geven de leerlingen ook andere kwalificaties dan over uiterlijk alleen. En die zijn eigenlijk heel verrassend. Het allerbelangrijkste vinden ze dat de leraar ‘kennis heeft van de stof’, ‘boeiend kan vertellen en uitleggen’ en ‘variatie in de lessen’ aanbrengt. Het op één na belangrijkste vinden ze de houding van de docent. Die mag, ‘als het nodig is, streng zijn’ en moet ‘grenzen stellen’. Maar tegelijk moet hij/zij zich kunnen inleven in de leerlingen en ‘respectvol en lief’ met hen omgaan.

Lees verder >>

Kenmerken

Dit alles is in tegenspraak met de didactische mode van de afgelopen twee decennia. ‘Zelfsturend’ onderwijs, niet klassikaal maar achter je computer, ‘zelf je eigen leervragen bedenken’ en ‘verantwoordelijk zijn voor je eigen leerproces’, het credo ‘kennis kun je altijd opzoeken’ – je hoort zelden dat de leerlingen dáár enthousiast over zijn. Het zijn de idealen van ‘vernieuwende’ onderwijskundigen en bestuurders, niet van leerlingen. Zij willen niet aan hun lot worden overgelaten, onder het mom van zelfwerkzaamheid. Ze willen worden gezíen. Kinderen mogen dan superhandig zijn op het web en álles via hun telefoontjes en iPads kunnen opzoeken, ze hebben die leraar, een mens met kennis, verhalen en emoties, toch hard nodig.

Goed, het ging hier om middelbare scholieren, die net de basisschool achter de rug hebben. Leerlingen van de basisschool worden al helemaal niet ondervraagd over hun ideale juf of meester. Ouders evenmin, althans niet systematisch. Toch is het interessant: welke juf of meester is de kinderfavoriet, en waarom? Wat voor leerkracht zien ouders graag voor hun kind? En welke normen en idealen stellen leerkrachten op de basisschool zichzelf?

Laat ik proberen de kenmerken van de ‘ideale’ basisschoolleerkracht te schetsen.

1. De leraar spreekt en schrijft feilloos Nederlands

Dat lijkt een open deur. Natuurlijk moet een leerkracht die bij kinderen een taalbasis voor het leven legt, de taal voortreffelijk beheersen. Vaak is dat ook zo, maar helaas lang niet altijd. De afgelopen twee decennia is het aantal uren Nederlands op de pabo gestaag gedaald, of geïntegreerd met andere vakken. Onder het motto: alles is taal, ook werkstukken maken, reflecties schrijven en presentaties houden. Maar dat is niet zo. Zinsbouw, ontleden en spelling moet je gewoon leren, anders kun je die vaardigheden niet doorgeven. Eerstejaars worden nu verplicht tot een taaltoets. Wie die niet haalt, moet weg. Het zal nog een paar jaar duren voordat dat nieuwe beleid zichtbaar is op de basisscholen. Ouders die een briefje van een leerkracht krijgen vol spelfouten en kromme zinnen zullen weinig vertrouwen hebben in de juf of meester.

2. De leraar heeft voldoende kennis en creativiteit in huis

Ook dat lijkt een vanzelfsprekendheid. Maar toch is er een verplichte rekentoets ingevoerd voor de eerstejaars. En ook voor aardrijkskunde, biologie en geschiedenis zijn er ondertussen toetsen gekomen. Maar er is meer ‘kennis’ dan de schoolvakken. Kinderliteratuur, muziek, toneel, dans en sport zijn minstens zo belangrijk als rekenen. Je leert je verbeelding gebruiken, je traint je creativiteit en je werkt vanzelf samen met anderen. Misschien ontdekt een kind dat thuis op deze gebieden niets meekrijgt zo zijn grote passie. Creatieve vakken drukken, anders dan wordt gedacht, de ‘leervakken’ niet weg; het is niet het één of het ander. Scholen die veel aan kunstonderwijs en literatuur doen, zijn, gek genoeg, precies die scholen die óók hoog scoren in de kennisvakken. Lees verder >>

3. De leraar houdt van kinderen, jongens en meisjes, en kan zich in hen verplaatsen

Gelukkig, dát zit bijna altijd wel goed. Waarom zou je dit vak kiezen als je niet van kinderen houdt? Je kunnen verplaatsen in de gevoelens, zorgen en angsten van anderen, groot of klein, is niet iedereen gegeven. In pestkoppen en pestslachtoffers bijvoorbeeld. Dat zijn moeilijke situaties voor een leerkracht, vooral als je wel begrijpt waarom steeds dát kind te grazen wordt genomen. Een kind beschermen dat buiten de groep valt, is soms moeilijker dan een ‘gewone’, vrolijke pestkop begrijpen. Toch heeft het gepeste kind recht op bescherming. ‘Kanjertrainingen’, die vooral gericht zijn op het vergroten van het zelfvertrouwen en de sociale vaardigheden van het gepeste kind, ontkennen in feite dat de dader schuldig is.

4. De leraar heeft geen voorkeur voor typisch jongens- of meisjesgedrag

Het is voor een vrouw wellicht makkelijker zich te verplaatsen in meisjes en mannen zijn vroeger jongetjes geweest. Die identificatie gaat vanzelf en maakt juffen geen slechtere leerkrachten dan meesters. Toch is het jammer dat zo weinig mannen voor dit beroep kiezen. Jongens kunnen het beste van mannen leren hoe je een man wordt. Voor jongens en meisjes is het fijn om beide rolmodellen voor de klas te zien, zeker als ze opgroeien in een eenoudergezin, meestal bij de moeder. Onbewust kan de juf meisjesgedrag als het gewenste gedrag benoemen. Maar jongens leren van nature door competitie en zijn niet zo van kringgesprekken en problemen uitpraten. Ze zijn vaak drukker en chaotischer. Lees verder >>

Vaak hebben ze een monomane voorkeur voor bepaalde onderwerpen en dreunen ze in een spreekbeurt graag feiten op. Dat is niet wat de juf graag ziet. Maar: de ideale jongen is geen meisje in jongensverpakking. Laat jongens jongens zijn. Iemand die een potje meevoetbalt en niet schrikt van een bloedende knie of een vechtpartijtje; voor veel jongens zou het een verademing zijn.

  1. De leraar kan zich verplaatsen in de wensen en de zorgen van de ouders, maar laat zich niet intimideren

Meestal gaat het goed maar soms lijken ze elkaars vijanden, ouders en leerkrachten. Niet leuk voor een kind dat loyaal is aan beiden, en ook niet goed, want het leert pas iets als het zich prettig en veilig voelt. Evenmin goed voor de school, die floreert met tevreden en betrokken ouders. En niet leuk voor die ouders, die jarenlang met wrokkige emoties op het schoolplein staan.Het is ook onuitstaanbaar: ouders die alleen het allerbeste voor hun kind goed genoeg vinden en voor dat bijzondere schepseltje bijzondere aandacht eisen. Die ouders moeten leren begrijpen dat iemand die dertig kinderen in een klas heeft, die aandacht niet kan bieden. Maar: ouders hebben wél recht op transparante informatie over de vorderingen van hun kind. Liefst zwart op wit, niet in vage termen als ‘zij is gezellig en sociaal’ of ‘hij doet nooit eens leuk mee’. Nee, hoe zijn de vorderingen? Moeten de ouders thuis bepaalde dingen oefenen? Een kind zit maar één keer in zijn leven op de basisschool dus mogen de ouders best eisen dat de leerkracht ‘alles eruit haalt wat erin zit’. Lesgeven, dat is het vak van de leerkracht. Dat zelfvertrouwen zou je als leerkracht dan ook moeten uitstralen.

6. De leraar toetst niet onnodig, maar hecht wel waarde aan toetsen

Toetsen is niet zielig. Als je het spelenderwijs brengt, vinden de meeste kinderen een toets razend interessant, een leuk spelletje. Toetsen is noodzakelijk om te zien of een kind voortgang boekt, of de school na binnenkomst van een kind in groep 3 iets heeft toegevoegd en om kinderen met elkaar te vergelijken. En uiteindelijk ook om scholen met elkaar te vergelijken. Want een school die veel beter op toetsen scoort dan scholen met een vergelijkbare populatie doet iets heel erg goed, een school die achterblijft bij soortgelijke scholen doet iets verkeerd. De gegevens van het CITO zijn, hoewel daarvoor niet bedoeld, uitstekend objectief vergelijkingsmateriaal. Maar je moet het niet te gek maken. Van voortdurend toetsen leert een kind niets.

7. De leraar heeft geen vooroordelen en koestert hoge verwachtingen

‘Het is een lief en vrolijk kind’, zei de juf ooit over mijn kleuterdochter. ‘Maar professor zal ze niet worden.’ Ik hapte naar adem, maar zei niets terug. ‘Hoe wéét jij dat nou?’, wilde ik zeggen, ‘Ze is vier!’ Maar ik zweeg. Misschien was mijn schatje wel een dommerd. Inmiddels is ze afgestudeerd, gaat ze promoveren, en ja, wie weet wordt ze ooit professor. Niet dat het van mij hoeft. Maar ik zou die kleuterjuf op het hart willen drukken: zeg zoiets idioots nooit weer. Lage verwachtingen leiden vaak tot lage uitkomsten. Lees verder >>

8. De leraar beschouwt afwijkingen van het gemiddelde als normaal

Ja, hier heb ik het over het toenemend aantal kinderen met een ‘label’, zoals ADHD of iets in ‘het autistisch spectrum’. Als we de dyslectici meetellen heeft één op de vijf kinderen in het basisonderwijs zo’n label en hun aantal neemt jaarlijks toe. Veel kinderen slikken Ritalin, een middel dat kinderen beter laat focussen, maar waarvan onbekend is wat het precies met kinderhersenen doet.

Leerkrachten zeggen vaak dat hun werk zo veel zwaarder is geworden door al die ‘kinderen met een label’. Toch zijn zij vaak degenen die erop aandringen een kind te laten onderzoeken. Omdat het druk is of juist stil, angstig of overmoedig, langzaam of verbluffend snel. Kortom: afwijkt van het normale.

Natuurlijk moeten kinderen met grote belemmeringen of problemen professioneel worden geholpen. Maar het normale kind bestaat niet. Als je eenmaal een label hebt, kom je er moeilijk vanaf en je gaat je ernaar gedragen. Dat een kind lastig is in de klas betekent niet dat het een ziekte heeft. Het zou mooi zijn als we in het onderwijs het ‘spectrum van normaal’ een beetje weten te rekken.

 

Tot slot: alle goedbedoelde adviezen aan leraren zijn niet meer dan dat: goedbedoelde adviezen. Ook de bovenstaande. Een echte leraar vaart een eigen koers, en is prettig eigenwijs.

Studenten

aan het

woord

Wies Compiet is tweedejaarsstudent aan de iPabo. Na haar studie aan de School voor Journalistiek, gooide ze het roer om en startte met de pabo. Tijdens haar studie journalistiek liep ze stage bij de opvoedbladen Kinderen en Kek Mama. Na haar studie maakte ze een aantal producties voor Het Parool. Ook schrijft ze voor het magazine van de iPabo.

Floortje Kroeze is ook tweedejaarsstudent aan de iPabo. Sinds haar afstuderen aan de ALO, is ze werkzaam als vakleerkracht bewegingsonderwijs. Hoewel ze met veel plezier in de gymzaal staat, is ze ook nieuwsgierig naar het lesgeven in een ‘gewoon lokaal’. Momenteel combineert ze het studeren met haar gymlessen en het schrijven voor het iPabo Magazine.

De ideale leerkracht

De perfecte mens bestaat niet maar we streven er al eeuwen naar. Leonardo da Vinci bijvoorbeeld, met zijn Mens van Vitruvius. Wat zou hij bedacht hebben als hij de leerkracht van Vitruvius had nagestreefd? De docent universalis? Dat moet een welhaast onmogelijke middenweg zijn tussen niet te ouderwets en niet te popiejopie, niet te streng en niet te slap. Iemand waar leerlingen tegenop kijken, maar die tegelijk voor iedereen benaderbaar is. Bij de tijd, maar niet de hipste van de klas. Flexibel, mensenkennis, een snufje zelfspot en, misschien wel het voornaamste: humor.

Word je hier dan voor opgeleid op de pabo? Dat valt te betwijfelen. Op de pabo word je beoordeeld aan de hand van een beoordelingsformulier met de daarbij horende competenties. Maar humor staat daar niet op, evenmin als flexibiliteit. Laat staan dat snufje zelfspot. Stuk voor stuk belangrijke vaardigheden die de perfecte leerkracht moet bezitten, maar die nauwelijks meetbaar zijn. Humor is niet aan te leren, dat heb je of dat heb je niet. In ieder geval ontstaat het bij de gratie van ontspanning. Pas als de leraar zich op zijn gemak voelt voor de klas, is er een gezonde basis voor een gebbetje. Een overspannen leraar die zijn krijt opeet, is op een bepaalde manier wel om te lachen, maar we moeten het niet willen.

Lees verder >>

Word je hier dan voor opgeleid op de pabo? Dat valt te betwijfelen. Op de pabo word je beoordeeld aan de hand van een beoordelingsformulier met de daarbij horende competenties. Maar humor staat daar niet op, evenmin als flexibiliteit. Laat staan dat snufje zelfspot. Stuk voor stuk belangrijke vaardigheden die de perfecte leerkracht moet bezitten, maar die nauwelijks meetbaar zijn. Humor is niet aan te leren, dat heb je of dat heb je niet. In ieder geval ontstaat het bij de gratie van ontspanning. Pas als de leraar zich op zijn gemak voelt voor de klas, is er een gezonde basis voor een gebbetje. Een overspannen leraar die zijn krijt opeet, is op een bepaalde manier wel om te lachen, maar we moeten het niet willen.

Nu kun je heel veel leren op de pabo, maar nog meer niet. En dat beoordelingsformulier? Dat is alleen de basis. Daarna begint het pas: de weg naar de docent universalis. Een weg die bezaaid is met kinderen, die beter weten waar de ideale leerkracht aan moet voldoen dan wie dan ook. Laten we dan eens bij zo’n stageklas te rade gaan.

In de groep van Jens (8) zijn de meningen verdeeld. Terwijl de meiden kibbelen over het al dan niet aanwezig zijn van spierballen en ‘goede looks’, hebben de jongens het over lades vol snoep en langere buitenspeeltijden. Wat maakt een leerkracht ideaal? Zo’n tweehonderd kinderen van een Amsterdamse basisschool buigen zich over deze kwestie en stellen met zorg, en hier en daar wat onenigheid, een wensenlijstje op. Lees verder >>

De juf moet spelletjes spelen waar je veel bij kan springen. Ze moet een frisse adem hebben. De meester moet lief zijn, heel erg behulpzaam, aardig en jong. Hij moet toestaan dat er paarden in de klas mogen komen. De perfecte juf deelt elke dag veel snoep uit, is stoer, geeft veel technieklessen en neemt de kinderen mee naar pretparken. De klas moet vol staan met lego, of beter nog: gebouwd zijn van lego. De ideale leerkracht kijkt elke dag filmpjes.

Toch blijft het niet bij fantasieën en illusies over snoep, lego en paarden. Hoe langer de kinderen nadenken, des te meer ze tot het besef komen dat ze ook op school zitten om nieuwe dingen te leren. ‘Je moet eigenlijk niet doorhebben dat je aan het leren bent’, peinst Bibi uit groep acht, ‘het moet leuk zijn, het moet lijken op een spelletje’.

Dit brengt een keerpunt in het denken teweeg. Natuurlijk, de juf moet goed uitleggen, en streng zijn! ‘Nou,’ Abi (11) kijkt geschrokken, ‘niet té streng, alsjeblieft.’ De discussie zwengelt weer aan. Termen als geduldig, creatief, verstand en inlevingsvermogen passeren de revue. Iedereen heeft wel iets te zeggen.

Duidelijk dus: de perfecte leraar is moeilijk te omschrijven. Maar na een felle discussie zijn de kinderen het uiteindelijk toch eens. Gijs (10) schraapt zijn keel als hij de lijst samenvat: ‘De ideale leerkracht geeft met pit les, kan goed met kinderen omgaan en houdt orde in de klas. Hij bedenkt leuke en uitdagende opdrachten en helpt geduldig als dat nodig is. Hij heeft humor en is op de leuke manier streng’. Ah, dat is hem dus: die docent universalis.

Auteurs

aan het

woord

Brigitte Bongaards heeft veertig jaar ervaring als onderwijzeres in het basisonderwijs. Het omgaan met en steun geven aan leerlingen die zorg nodig hebben, heeft altijd haar speciale aandacht gehad. Ze ontwikkelde zelf ook veel materialen. Bongaards is, samen met Joop Sas, auteur van de boeken: Vakbekwaam onderwijzen en Praktijkboek leerlingenzorg.

Joop Sas is psycholoog en heeft door zijn werk vanuit de onderwijsbegeleiding ruim dertig jaar ervaring met het onderwijs. Hij geeft intervisie op het gebied van geheugen, dyslexie en cognitieve therapie. Hij heeft een eigen psychologische praktijk en geeft hulp bij studieproblemen. In samenwerking met Cees Wieringa schreef hij Het Deelvaardigheidsonderzoek en Leesmoeilijkheden.

Op zoek naar de ideale leerkracht

In de 18e eeuw voerde de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen niet alleen onderwijsmethoden, leermaterialen en schoolboeken in, de oprichter Martinus Nieuwenhuyzen hechtte ook veel belang aan de kwaliteit van degene die het onderwijs moest geven. Volgens hem moest een onderwijzer ‘hoogstaande eigenschappen van verstand en hart’ bezitten en de ‘waardigheid te hebben van een leeraar der jeugd’. Maar dat niet alleen. Hij mocht vooral geen ‘dronkaard, hoereerder, leugenaar, slaaf van het spel, liefhebber van drinkpartijen en ligtmisserijen, een twistziek, norsch of oplopend man’ zijn.

Misschien is dit wel de eerste competentielijst die voor leerkrachten werd opgesteld. Nog wel voor het grootste gedeelte bestaande uit een opsomming van wat je niet moet zijn, maar duidelijk een poging om niet iedereen toe te laten tot het vak. In de loop der jaren zijn er vele studies uitgevoerd over gewenste eigenschappen en vaardigheden van leerkrachten. Daaruit blijkt steeds duidelijker dat effectieve leerkrachten een groot aantal vaardigheden en eigenschappen gemeen hebben en dat ze op overeenkomstige wijze met de klas en de leerstof omgaan. Dit gegeven heeft geleid tot een beroepsprofilering die de SBL (Onderwijscoöperatie) opstelde aan de hand van zeven bekwaamheidseisen waaraan je als leerkracht zou moeten voldoen.

Lees verder >>

 

Soms lijkt een leerkracht echter méér te zijn dan de som van de bekwaamheidseisen. Is het misschien iets dat je van meet af aan al ‘in’ je hebt?

Onderzoek laat zien dat er in dit opzicht grote overeenstemming is tussen wat leraren en leerlingen de ideale leraar vinden. Deze moet gezag hebben, vriendelijk en begrijpend zijn (Brekelmans, 2010). Dit beeld van de ideale leraar-leerling-relatie blijkt bovendien door de jaren heen constant te blijven.

Het is niet zonder reden dat deze kenmerken van de goede leerkracht zich afspelen binnen het directe contact tussen leerlingen en leerkracht. Juist in het ‘primaire proces’ speelt de persoonlijkheid van de leerkracht (en de leerling) een grote rol en is het van het grootste belang dat de aandacht voor anderen authentiek is.

Een leerling-leerkracht-relatie waarbinnen de leerkracht een vriendelijk overwicht heeft met een neiging tot interpersoonlijk vertrouwen, heeft een positieve uitwerking op beide partijen (Split, e.a., 2008). Niet alleen de leerlingen hebben er baat bij voor wat betreft de leerresultaten en de motivatie, maar ook de leerkracht. Het zou zelfs de kans op een burn-out kunnen verkleinen. Recent onderzoek geeft aan dat een leerkracht die een positieve relatie heeft met de leerlingen, psychisch beter functioneert en zich minder snel handelingsverlegen voelt. Een goede relatie is dus van belang voor zowel het welbevinden van de leerkracht als voor de betrokkenheid en de leerprestaties van de leerling (Den Brok e.a., 2011). Lees verder >>

Bepaalde persoonlijkheidstrekken blijken dus samen te hangen met effectief leerkrachtgedrag. Je kunt hierbij ook denken aan trekken buiten de interpersoonlijke sfeer als: nauwkeurigheid, doorzettingsvermogen of structuur aanbrengen. Ook gevoeligheid voor stress en het inspelen op onverwachte situaties vallen hieronder. Persoonlijkheidstrekken spelen een belangrijke rol in het werk en zijn van alle genoemde competenties ook nog het moeilijkst te beïnvloeden. Het is dus zaak jezelf goed te kennen. Je zou kunnen zeggen: de ideale leraar denkt vooraf na over zichzelf en over het vak.

Voor meer informatie over hoe je een goede leraar wordt:
Vakbekwaam onderwijzen (2009) Noordhoff Uitgevers.
Praktijkboek Passend Onderwijs, verschijnt voorjaar 2016 bij Noordhoff Uitgevers.

 

Literatuur
• Brok, P. den, Wubbels, T., Brekelmans, M. & Tartwijk, J. van (2011). Wat is goed onderwijs, deel 4: bijdragen uit de pedagogiek. Den Haag: Boom uitgevers.
• Brekelmans, M. (2010). Klimaatverandering in de klas. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar ‘Onderwijskunde, in het bijzonder Leren in interactie’, Universiteit Utrecht.
• Split, J.L., Koomen, H.M.Y. & Thijs, J.T. (2008). Teacher Well Being: The Importance of Teacher-Student Relationships, Educational Psychology Review, 20:1.

Het ideale lerarenkwartet

Door: Joop Sas en Brigitte Bongaards

Het ideale lerarenkwartet is een leuke manier om samen met studenten in gesprek te komen over eigenschappen die een leraar moet hebben. In dit artikel vindt u per onderdeel vier eigenschappen welke van toepassing zijn op het vak van leerkracht. De vier eigenschappen vormen een kwartet van het betreffende onderdeel.

Gebruiksmogelijkheden:

  • Als kwartet. Per groepje studenten (vier maximaal). Ze spelen het kwartet. Als het spel uit is, gaan de kaarten van het kwartet omgekeerd op tafel. Iemand pakt een kaart leest het kopje en het gekleurde item van de kaart voor. Daarna bespreken ze in het groepje of het item volgens hen inderdaad bij de ideale leraar past.
  • Als brainstormkaarten: zonder te kwartetten (vier tot zes studenten). De kaarten liggen omgekeerd op tafel en de studenten gaan na het oplezen van het kopje en de vier bijpassende items er zelf zo veel mogelijk nieuwe items bij bedenken. Daarna lopen ze het kwartet nog eens langs om te zien of ze extra dingen hebben bedacht of dat deze al in het kwartet voorkomen. Misschien hebben ze er vier die nergens genoemd zijn en kunnen ze nu zelf nog een kwartet-set erbij maken.
  • De studenten gaan eerst in een groepje van vier tot zes op het item ‘de ideale leraar’ een woordweb, placemat of mindmap maken. Daarna presenteren de groepjes hun items aan elkaar. Tot slot kijken ze of hun gezamenlijke items overeenkomen met die van het kwartet.
Lees verder >>

Didactiek 1:
1 werkt met een instructiemodel; 2 gebruikt samenwerkingsvormen; 3 past activerende didactiek toe; 4 werkt met verschillende instructieniveaus.

Didactiek 2:
1 checkt tussentijds of de stof begrepen wordt; 2 gebruikt de methode zoals hij bedoeld is; 3 is op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen; 4 wil de kinderen dingen leren.

Didactiek 3:
1 houdt rekening met verschillen tussen leerlingen; 2 verdeelt de aandacht over de leerlingen naar behoefte; 3 werkt met een beurtenbakje zodat beurten gelijk worden verdeeld; 4 gaat uit van gestelde leerdoelen.

Didactiek 4:
1 bedenkt een aanpak voor een kind dat de leerstof niet meekrijgt; 2 stelt hoge maar realistische eisen; 3 geeft authentieke feedback; 4 schept mogelijkheden voor succeservaringen.

Organisatie:
1 werkt met uitgestelde aandacht en gebruikt daar een teken voor; 2 stimuleert de zelfstandigheid van de leerlingen; 3 heeft een afspraak of teken voor wie aandacht wil; 4 heeft duidelijke regels.

Ontwikkeling:
1 volgt cursussen ter aanvulling van zijn kennis; 2 houdt vakliteratuur bij; 3 bereidt zich voor op inhoudelijke vergaderingen; 4 heeft inbreng op inhoudelijke vergaderingen.

Lokaal:
1 zorgt voor een uitdagende leeromgeving; 2 zorgt voor een ordelijk lokaal; 3 zorgt voor toegankelijkheid van de materialen; 4 zorgt voor niveauverschil in de materialen.

Teamvergadering:
1 bereidt zich voor; 2 heeft regelmatige inbreng; 3 neemt taken op zich; 4 houdt zich aan afspraken.

Collega’s:
1 helpt een collega met een vraag; 2 heeft professioneel contact met andere teamleden; 3 deelt zijn kennis met collega’s; 4 kan collega’s op zaken aanspreken.

Sociaal emotioneel 1:
1 heeft oog voor wat kinderen bezighoudt; 2 ziet het kind als persoon; 3 weet wat er speelt in zijn groep; 4 handelt als de situatie erom vraagt.

Sociaal emotioneel 2:
1 maakt minimaal twee keer per jaar een sociogram; 2 zorgt voor een goede sfeer in de groep; 3 gebruikt een methode om pesten tegen te gaan; 4 pakt pesters aan.

Lees verder >>

Sociaal emotioneel 3:
1 straalt gezag uit; 2 is emotioneel ‘nabij’; 3 toont zich betrokken en empathisch; 4 is vriendelijk en begrijpend.

Persoon:
1 beschouwt zichzelf als inspirerend voorbeeld; 2 houdt zich aan afgesproken regels; 3 werkt planmatig en is consequent; 4 is zich bewust van het eigen handelen.

Uiterlijk:
1 let op hygiëne; 2 draagt schone kleding; 3 draagt kleding die niet afleidt; 4 houdt rekening met de werkomgeving.

Leeromgeving 1:
1 de school ziet er goed uit; 2 er is voldoende ruimte om in te werken; 3 er zijn toegankelijke magazijnen met voldoende materialen; 4 er is voldoende materiaal om alle kinderen te kunnen bedienen.

Leeromgeving 2:
1 zaken zijn bespreekbaar; 2 er is een open sfeer; 3 er is goede feedback op zijn functioneren; 4 wordt aangesproken op zijn kwaliteiten.

© Brigitte Bongaards

Met dank aan:
http://behandelmateriael.logopaedie.nl/

Column

Aleid Truijens is journalist en schrijver. Zij heeft een wekelijkse column in de Volkskrant, die vaak over onderwijs gaat. Daarnaast schrijft ze over literatuur en non-fictie. Ze schreef de romans Geen nacht zonder en Vriendendienst en publiceerde onlangs een biografie over de schrijver F. B. Hotz: Geluk kun je alleen schilderen – F. B. Hotz, het leven.

Pabotoetsen
Als ik een aankomend pabo-student was, zou ik me ook bedrogen voelen. Na vijf jaar havo of al die jaren vmbo-mbo heb je eindelijk je diploma. Hoog tijd om aan het gezellige studentenleven te beginnen, in een spannende nieuwe stad. Op je favoriete opleiding, de pabo. Maar nee, eerst moet je je door een serie akelige toetsen slepen. Het is nog maar de vraag of je slaagt. Balen. Of: dan maar een andere studie.

Deze lichting pabo-studenten moet toelatingstoetsen doen, voor de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en biologie/natuurkunde, als ze in die vakken geen eindexamen hebben gedaan. Dat besloot minister Jet Bussemaker een jaar geleden. Want het niveau van de pabo, toch al aan de beterende hand, moest nog meer omhoog. De eerstejaars hebben gemiddeld een te laag niveau van algemene ontwikkeling. En omdat vrijwel niemand al deze vakken in het examenprofiel heeft gekozen, moeten bijna alle eerstejaars minimaal één toets doen.

Ik kan me voorstellen dat deze studenten behoorlijk de pest in hebben. Het heeft iets oneerlijks: de spelregels werden tijdens de wedstrijd veranderd. Toen deze studenten hun profiel kozen, dachten ze dat ze daarmee probleemloos naar de pabo zouden kunnen. Zulke maatregelen moeten drie jaar tevoren worden aangekondigd, zodat studenten hun keuze erop kunnen afstemmen.

Ik kan me ook voorstellen dat het de hogescholen rauw op hun dak is gevallen.

Lees verder >>

De toetsen bleken behoorlijk afschrikwekkend: de pabo’s kregen gemiddeld dertig procent minder aanmeldingen. Zorgelijk. Je ziet het nieuwe lerarentekort al weer dreigen.Veel pabo-docenten vrezen voor hun baan. Bij de vakbond wordt gemord. Liesbeth Verheggen van de Algemene Onderwijsbond wil dat studenten de toetsen tijdens hun studie kunnen herkansen, net als bij de taal en rekentoetsen. Maar daar voelt Bussemaker niets voor; dat zou ten koste gaan van de échte pabo-leerstof.

Toch denk ik dat het een goed idee is, die toetsen, die gehate verzwaring. Uiteindelijk wel. Onderwijs aan kinderen tussen vier en twaalf is cruciaal voor de rest van hun leven. Zoiets belangrijks kun je niet overlaten aan brekebenen die met veel moeite een vederlicht programma doorlopen.

Uiteindelijk wil iedereen, student, docent en minister, hetzelfde: steengoede leraren op de basisschool. Iemand die kinderen iets kan bijbrengen, die weet wat ze nodig hebben. Iemand die ver boven de leerstof staat, die zelfvertrouwen uitstraalt en opgewassen is tegen lastige leerlingen en veeleisende ouders. Zo’n geweldige leraar moet goed opgeleid zijn. Je mag als student veel eisen van je docenten. Zij op hun beurt mogen de lat hoog leggen. De taal- en rekentoetsen die een paar jaar geleden werden ingevoerd, hebben volgens de onderwijsinspectie geleid tot betere leerkrachten.

Wie wil er nu naar een opleiding die niks voorstelt? Wat heb je aan een diploma dat iedereen met twee vingers in de neus kan halen? Strengere selectie maakt het vak op den duur aantrekkelijker. De reputatie van het vak en de maatschappelijke waardering gaan erdoor omhoog. Het is even doorbijten, maar dan heb je ook wat.

Meester

aan het

woord

 

 

Martijn Weesing is docent Natuur&Techniek aan de iPabo in Amsterdam en leerkracht onderbouw groep 1-2 aan de ontwikkelingsgerichte basisschool ‘De Achthoek’ in Amsterdam.

De vraag leven…
Ik wilde al van kinds af aan leerkracht worden. Helpen om kinderen het beste uit zichzelf te laten halen, boven zichzelf uit te laten stijgen. Ze dingen leren die ze in het leven kunnen gebruiken. Het allerbelangrijkst is dat kinderen het fijn hebben op school, zich op hun gemak voelen, zich gehoord en gezien voelen. Op de ontwikkelingsgerichte school waar ik werk, zie je dat terug in de drie voorwaardelijke criteria in de binnencirkel van basisontwikkeling. Ik leg dat even uit.

Onderwijs geven aan kinderen kan pas als ze 1) nieuwsgierig, 2) vol zelfvertrouwen en 3) emotioneel vrij zijn. Ik zie het als mijn taak om, zeker in groep 1-2, waar je de basis legt voor de schoolcarrière van een kind, aan deze drie voorwaardelijke aspecten te werken. Dat betekent dat je goed naar kinderen moet kunnen kijken én luisteren. Heeft het kind voldoende aansluiting in de groep? Gaat het met plezier naar school? Komt het af en toe een praatje maken en kunnen we elkaar aan het lachen maken? En voor mij het allerbelangrijkste: altijd kijken naar wat een kind wél kan in plaats van wat hij (nog) niet kan.

Voor het ontwikkelen van nieuwsgierigheid bij kinderen is het van belang veel vragen te stellen. Daarbij ben je als leerkracht zelf ook nieuwsgierig. Het is belangrijk niet alles meteen voor waar aan te nemen en verklaringen en oplossingen die kinderen geven serieus te nemen. De quote die op een tegeltje mag is: ‘Probeer niet het antwoord, maar de vraag met kinderen te delen’.

Lees verder >>

Het vraagt van jou als leerkracht dat je je eigen antwoorden, meningen en oordelen kunt opschorten om kinderen zélf aan het denken te zetten. Dat maakt ze nieuwsgierig en oplossingsgericht. Voorwaarde is natuurlijk wel dat er zaken zijn om nieuwsgierig over te ráken. Daarom: haal veel spullen de klas in. Van een set om zelf papier te maken tot een echt kompas. Van een ouder die een imkerset heeft tot een echte tent voor bij het thema ‘vakantie’. Leren is vallen en opstaan. Kinderen mogen ‘fouten’ maken en leren omgaan met risico’s.

Er zijn veel parallellen met mijn werk als N&T-docent op de iPabo. Ook daar is het een uitdaging om studenten te stimuleren om zich dingen af te vragen en kritisch te zijn. Dat kan in het klein, bijvoorbeeld bij het ontwerpen van een goede les over magnetisme. Of je afvragen hoe het kan dat een plant naar het licht toe groeit. En in het groot is het nodig bij het schrijven van een afstudeeronderzoek. Ook daar probeer je de wereld in de klas te halen of juist met de studenten naar buiten te gaan. Ook daar wil je dat kinderen het beste uit zichzelf proberen te halen en nieuwe dingen uitproberen.

Soms loop ik daarbij tegen mijn eigen beperkingen aan. Je wilt studenten graag een stap verder helpen en dan heb je wel eens de neiging om voor ze te gaan denken. Maar ook hier: soms is het heel goed om op je handen te gaan zitten en … geen antwoorden te geven, maar de vraag te delen. Het is op de opleiding immers mijn taak om dit gedrag te modelleren zodat studenten dit in hun eigen onderwijs kunnen toepassen. 

Redactieteam

Gerhard Hartdorff (eindredacteur)
Margriet Bakker (Noordhoff Uitgevers)
Renée Heuvelman (Noordhoff Uitgevers)
Esther van Rhijn (Noordhoff Uitgevers)

Pabo Platform is een digitaal magazine van Noordhoff Uitgevers voor en door docenten en opleidingsmanagers. Het blad wordt gratis verspreid.

Contactgegevens

Noordhoff Uitgevers
Postbus 58
9700 MB Groningen

Voor meer informatie of vragen:
ga naar Mijn Noordhoff

Website

Kijk op meer informatie over onze studieboeken, evenementen, accountmanagers en auteurs op onze website.

Social Media